Loopproblematiek voor gevorderden

Loopproblematiek voor gevorderden

Vervolgcursussen Ganganalyse en Prothesetraining komen tegemoet aan opleidingswensen van ervaren therapeuten 

Verdieping van de praktijkkennis over loopproblematiek – ambitieuze alumni van de basiscursussen Ganganalyse en Looptraining en Prothesetraining hadden zelf al aangegeven daar behoefte aan te hebben. Vandaar dat Pro Education inmiddels ook twee 3-daagse vervolgcursussen aanbiedt. Net als hun succesvolle voorgangers, zijn ook deze cursussen voor gevorderden ontwikkeld door fysiotherapeuten Jos Deckers en Dominiek Beckers, beiden docent en auteur van het boek Ganganalyse en looptraining voor de paramedicus. Wij spraken met Jos over zijn visie op de vervolgcursussen.

Nieuwe prothesekokers en computergestuurde knieën 
“Met de kennis en kunde die je opdoet in de basiscursussen kun je als therapeut in principe meteen aan de slag. Toch zat het er altijd al dik in dat verdere verdieping zinvol zou zijn,” vertelt Jos. “Neem de basiscursus Ganganalyse en Looptraining. Hierin worden eerst de verschillende facetten van de normaalgang bestudeerd, om vervolgens de strategieën te kunnen analyseren die mensen met een loopprobleem gebruiken om dat probleem op te lossen. Het leren herkennen van die strategieën leidt uiteindelijk tot een adequate diagnosebehandelcombinatie, maar omdat die loopproblematiek zo breed is en er in de reguliere opleiding weinig aandacht aan wordt besteed, hebben veel therapeuten logischerwijs behoefte aan méér. Vooral de therapeuten in de tweede lijn. Want die hebben dagelijks te maken met patiënten met uitgebreide verworven loopproblemen, bijvoorbeeld als gevolg van een hersenbloeding of een ongeluk.”

Die behoefte aan méér geldt ook voor veel deelnemers die de basiscursus Prothesetraining hebben gevolgd. Misschien zelfs in versterkte mate, meent Jos, want hier telt ook nog eens de zich rap ontwikkelende techniek op het gebied van de prothesiologie. “Je ziet nu bijvoorbeeld veel nieuwe ontwikkelingen op het gebied van prothesekokers, maar je hebt ook al zwaaifasegeregelde en computergestuurde knieën en de zogenoemde energy-storing voeten. Vooral door dit soort high-tech innovaties zetten veel alumni hun zinnen op verdieping.”

Namiddagen in Heliomare 
Alle onderwerpen uit de basiscursussen worden nader uitgewerkt in de vervolgcursussen, die zich verder onderscheiden door hun unieke interactieve en volledig op de praktijk gerichte programma. Jos benadrukt: “De praktijk is het begin- en eindpunt van de bijeenkomsten, letterlijk. We beginnen vaak met fimpjes en foto’s van patiënten met een loopprobleem. Het is dan aan de deelnemers om het probleem eerst in kleine groepjes te analyseren, en hun bevindingen daarna plenair terug te koppelen. Hierbij is alle ruimte voor discussie. Uiteraard signaleer ik dan ook de eventuele knelpunten. Door die voortdurende interactie krijg je de nodige verdieping. En het mooie daarbij is: uiteindelijk zijn het dan altijd de praktijkinzichten die de kennisvragen sturen.”

In de namiddag vertrekken de deelnemers naar revalidatiecentrum Heliomare, waar ze hun kennis en vaardigheden mogen toepassen op echte patiënten. “Dat zijn vrijwilligers met een zeer uiteenlopende problematiek. Denk aan amputatiepatiënten, orthopedische patiënten en patiënten met een centrale of perifere neurologische aandoening,” verklaart Jos. “Als het een sessie met een prothesedrager betreft, dan is de instrumentmaker ook aanwezig, wat altijd weer een extra implus geeft aan de discussie. Maar onderschat wat dat betreft ook de patiënt niet: die is behoorlijk mondig. En dat is ook het leuke en leerzame. Het leren stoeien met die patiënt, zijn ervaringen afzetten tegen jouw inzichten, dat is denk ik van onschatbare waarde voor elke therapeut.”

Een hogere hak 
Hoe complex het loopprobleem ook mag zijn, volgens Jos hebben de deelnemers altijd houvast aan de methode die eerder al in beide basiscursussen is geïntroduceerd: het leren herkennen van de probleemoplossende strategieën die een patiënt aanwendt. “Je moet het zo zien dat elke strategie een afwijking is van de meest efficiënte manier van lopen, namelijk de normaalgang.

Elke strategie kost dus extra energie, wat zich vertaalt in sneller moe worden en een vermindering van de totale loopafstand. Wat wij dan doen, is kijken of we de patiënt een minder vermoeiende stategie kunnen aanleren, of dat het misschien toch beter is om de prothese aan te passen of voor een orthese te kiezen, zodat het inzetten van een strategie helemaal niet meer nodig is.”

Dat het niet altijd eenvoudig is om tot de juiste aanpak van een loopprobleem te komen, merken de deelnemers tijdens de cursussen vaak naar aanleiding van de door henzelf ingebrachte casuïstiek, vertelt Jos. “We hadden een keer de casus van een pathologische gang. Hierbij zie je dat een patiënt veelal op de tenen van zijn gezonde been gaat staan, om het aangedane been beter te kunnen doorzwaaien.

Dit is een strategie die de patiënt inzet als hij niet in staat is om zijn knie op het juiste moment voldoende te buigen, waardoor het been tijdens de zwaai eigenlijk te lang is. Tijdens de discussie naar aanleiding van die casus hadden we het over de vraag of die patiënt misschien getraind kan worden op het verbeteren van zijn kniebuiging. Maar er kwamen ook andere oplossingen ter sprake: een hogere hak aan de gezonde zijde? Of moeten we het toch zoeken in een andere instelling van het prothesekniegewricht? Dergelijke vragen zetten de toon. Dat maakt onze discussies rijk en inspirerend. Maar de beste antwoorden vinden we toch altijd weer in de praktijk. Bij de patiënt, in zijn specifieke leefomgeving.”